‘Zij staan altijd en overal voor ons klaar’, schreef Anne Frank op 28 januari 1944 in haar dagboek. Ze bedoelde de helpers. Zonder hulp van buitenaf was onderduiken onmogelijk. Dat begreep Anne als geen ander.

Toen Otto Frank in 1942 besloot om met zijn gezin onder te duiken in het achterhuis van zijn bedrijf aan de Prinsengracht 263, vroeg hij zijn personeel om hulp. Johannes Kleiman, Miep Gies, Victor Kugler en Bep Voskuijl zorgden ruim twee jaar lang voor de onderduikers. Beps vader, Johan Voskuijl, timmerde de boekenkast die de schuilplaats aan het oog onttrok en ook Mieps echtgenoot, Jan Gies, bood hulp. De helpers hielden het bedrijf gaande, regelden extra voedselbonnen en zorgden voor boodschappen, kleding, medicijnen en andere dagelijkse benodigdheden.

‘De helpers van het Achterhuis’ , zomer 2014.